Werkt rozemarijnolie echt voor je haargroei?
Rozemarijnolie laat in één goed opgezette studie vergelijkbare haargroei zien als minoxidil 2%, maar werkt minder goed dan sterkere medicijnen als finasteride of dutasteride. Als je erfelijke kaalheid wilt aanpakken, is het een redelijke optie als je van medicijnen af wilt, maar verwacht geen wonder.
Rozemarijnolie heeft een vergelijkbaar effect op haargroei als minoxidil 2%, zo liet één gerandomiseerde studie met 100 deelnemers zien. Na zes maanden dagelijks aanbrengen telden beide groepen significant meer haren dan aan het begin. Na drie maanden was er in geen van beide groepen nog een meetbaar verschil. Dat rozemarijnolie de vergelijking met minoxidil kon doorstaan is opmerkelijk, maar het gaat hier om één studie, wat voorzichtigheid vraagt.
Een bijkomend voordeel: rozemarijnolie veroorzaakte minder jeuk aan de hoofdhuid dan minoxidil 2%. Beide middelen gaven wel meer jeuk dan vóór de behandeling, maar bij rozemarijnolie was dat minder erg. Als je gevoelige huid hebt of minoxidil slecht verdraagt, kan dat relevant zijn.
Hoe werkt het? Rozemarijn bevat een stof (carnosinezuur) die in laboratoriumonderzoek ontstekingsremmend werkt, vrije radicalen neutraliseert en de aanmaak van DHT (het hormoon dat haarverlies bij erfelijke kaalheid veroorzaakt) afremt. Ook in laboratoriumomstandigheden stimuleert rozemarijn haarfollikels. Maar dit mechanistische onderzoek is nog niet vertaald naar grote klinische studies bij mensen, en carnosinezuur is moeilijk oplosbaar en instabiel in gewone producten, wat de praktische werking beperkt.
Vergeleken met bewezen middelen als oraal dutasteride, finasteride of oraal minoxidil scoort rozemarijnolie duidelijk minder goed op haardichtheid, zo blijkt uit een netwerk-meta-analyse van 24 gerandomiseerde studies. Rozemarijnolie is dus geen vervanging voor bewezen medicijnen bij ernstigere erfelijke kaalheid, maar kan voor mensen die die middelen niet willen of verdragen een beperkt alternatief zijn. Tot slot: de populariteit op sociale media staat niet in verhouding tot de hoeveelheid klinisch bewijs.
Gebaseerd op één RCT (n=100), één netwerk-meta-analyse (24 RCT's), twee systematische reviews en meerdere narratieve reviews. Het klinische bewijs bij mensen is beperkt tot één directe vergelijkende studie; mechanistisch en laboratoriumonderzoek is ruimer aanwezig maar bewijst geen klinische werkzaamheid.